Dodenherdenking 2015

Dodenherdenking 2015

Excellenties, dames en heren, jongens en meisjes,
Fijn dat u ook dit jaar weer in grote getale bent verschenen om samen onze doden te herdenken. Het is dan ook goed om zoveel inmiddels voor mij bekende gezichten te zien. Nogmaals welkom.
Sprak ik vorig jaar over de voorkant van ons monument, dit jaar laat ik het licht over de achterkant van het monument schijnen en hierbij nodig ik jullie uit om na afloop van de herdenking aan de achterkant van het monument te kijken.

Op de achterkant van het monument valt de spreuk ‘Ja, het moest’ te lezen, een spreuk afkomstig van mevrouw Elvire Spier. Een brief van Elvire Spier aan haar dochter, mevrouw Katja Blom-Boonstra geeft inzage over hoe deze spreuk is ontstaan:

Hoe de woorden ‘ja, het moest’ op het monument zijn gekomen? Ik heb je gezegd: ‘vertel het maar’. Toch is het misschien voor jou niet zo gemakkelijk te verklaren dat ik ze eigenlijk alleen heb doorgegeven. Het klinkt wat spookachtig. Als je ouder wordt zal je leren dat je nooit afscheid neemt. Jij en de andere kinderen van de onderzeedienst zijn gelukkig weggegroeid uit dat dieptepunt dat voor ons, ouders en vrouwen, een dieptepunt dat steeds als een voortdurende verschrikking blijft bestaan. HOE we ook, en ieder van ons op eigen wijze, in het leven verder moesten, dat ogenblik waarop het ‘ hij en ik’, dat WIJ, zijn grens bereikte, heeft niets te maken met het NU. Het ‘toen’ werd ‘altijd’ en wij werden daardoor een gespleten persoonlijkheid.

Zoals je weet is niets tot stand gekomen zonder overleg met de onderzeedienst. Het monument stond er immers al; de zonen, mannen en vaders in hun koperen naam verstild, waren daarop verenigd. De onderzeedienst gaf ons de gelegenheid om dat ‘verstild zijn‘ iets te vervagen. Ouders, vrouwen en kinderen verzamelden het geld en met een beetje hulp konden we ons zelfs veroorloven om de beeldhouwer Han Rehm te kiezen, omdat hij naar de mening van de commandant en ons, nabestaanden, de kunstenaar was met het meeste ‘in beweging zijn‘ in zijn oeuvre. Zijn ‘strijdend ondergaan’ dat wij aan het monument hebben mogen toevoegen, is misschien wel zijn krachtigste schepping. Het werk is een angstaanjagende waarschuwing. Durf, moed en trouw – ja, dat was vertegenwoordigd, maar nog niet wat de mannen, bewust, hebben moeten achterlaten. Nog steeds ontbraken de niet voleindigde jaren en dat ‘waarom‘ van eenzame uren en ook het ‘waarom‘ nog steeds nieuwe jonge mensen het werk moeten voortzetten. Zo kreeg ik de opdracht van de commandant: ‘Zoek er wat woorden bij, een dichtregel of zoiets. Jij weet er tenslotte meer van dan wij! Iets wat erbij past, wat dat alles verklaart’. En hoe heb ik gezocht. In vele varianten, in door eeuwen geteste poëzie. Ik werd er wanhopig onder. Niets paste bij onze onderzeedienst; niet bij de mannen van toen en niet bij de mannen van nu.

Op een nacht, daar in mijn kamertje, tussen woordenboeken, papieren en al die andere attributen die je als auteur denkt nodig te hebben, werd ik alleen nog maar ‘vroeger‘. Die directe simpele woorden, dat ‘Ja, het moest‘ waren er ineens. Bedacht? Gevoeld? Gehoord? Ik kan ze niet zomaar verklaren. Het meest nabij zou zijn, dat ik ze heb ontvangen en ze zo heb doorgegeven en zo zijn ze door de levenden zonder meer geaccepteerd en op het monument gekomen.

Kus de kleintjes van me,
Mama.

Het gedicht dat ik nu zal voordragen, is geschreven door Leonie Beks, het is op 4 mei 2001 voorgedragen tijdens de Nationale herdenking op de Dam. “Levend verleden”
Het speelt niet meer in onze harten,
tijd en afstand, grote brug.
Te ver, te gruwelijk, iemand anders,
ergens anders, lang terug.
Maar in twee minuten stilte
schreeuwen stemmen uit ’t verleden,
klinken kreten uit de toekomst,
spreken stemmen van het heden.
Twee lange minuten stilte
als zout in open wonden.
Wordt eventjes teruggedacht,
wordt eindelijk rust gevonden.
Die twee minuten stilte,
men zwijgt in alle talen.
Komt even het gevoel terug,
dan leven de verhalen.
In die twee minuten stilte,
dan komt het verleden vrij.
Tijd en afstand overwonnen
dus toch heel even zo dichtbij.

Bidden wij tenslotte samen:

Heer,

Wees ons kompas,
als we op de zee van het bestaan uit koers raken.
Wees onze kiel,
als wij ons evenwicht dreigen te verliezen.
Wees ons roer,
als er niets meer is dat ons richting geeft.
Wees ons zeil,
als wij zelf niet meer in beweging kunnen komen.
Wees ons anker,
als wij houvast nodig hebben.
Wees onze stuurman,
als wij in een storm belanden.
Wees onze haven,
als wij zoeken naar een bestemming,

Amen